De Poëzie Van De Eenzaamheid

Written by

·

 

Het was ochtend, te vroeg in de ochtend.  Ik lag in mijn warme bed, helemaal alleen, en het was nog donker.  Enkele regendruppels plensten op het dak, het einde van een regenbui, en vanachter het linkse gordijn verscheen een volle maan.  Het licht viel door een dunne spleet en was zo helder dat het me hypnotiseerde.  Ik schoof een beetje op, weg van het licht en sloot terug mijn ogen.

Stilte.  Het was te vroeg om op te staan en ik had er ook helemaal geen zin in.  Ik was uitgeslapen maar ik voelde me heel rustig en dat gevoel wilde ik nog even vasthouden.  Rust kan je alleen maar vasthouden door alles los te laten.  Ik liet alles los en dreef weer weg.

Wegdrijven, zo voelde het.  Het leek wel of mijn lichaam dreef.  Ik voelde helemaal niets.  Nergens pijn, nergens koude, geen honger of dorst.  Meer dan dat.  Ik voelde niets en ik dacht ook helemaal niets.  Het enige gedacht dat even zijn kop boven het oppervlak van de zee van onderbewustzijn uitstak was “Ik voel me goed”.

Ik dreef en dreef, ik zweefde, ik leek wel elk fysiek aspect van wat ik was achter te laten.  Zou het zo voelen als je doodging?  Was sterven een soort bevrijding?  Was dit de hemel?  Een tunnel had ik niet gezien, geen engelen of duivels, geen God.  Eerder voelde ik me als God.  Lekker gevoel.  Ik liet al mijn gedachten los, antwoorden waren op dit moment niet belangrijk.  God zijn of denken dat je het kon zijn was helemaal niet belangrijk.

Weg was ik.

De tijd tikte langzaam voort.  Tegenwoordig kan je nog nauwelijks van tikken spreken want de meeste klokken zijn digitaal.  Ik mis dat getik wel.  Nu ik erbij stilstond, het tikken van de klok maakte me dikwijls heel rustig.  Het getik was net zoals de druppels van de regen op het dak.  Na een poosje in de zee van rust te hebben gedreven keek ik naar de klok.  Er waren nog geen tien minuten voorbij sinds het moment dat ik de maan had gezien.  Opstaan?  Nee.  Het was bijna tijd maar ik had er helemaal geen zin in.  Nog even genieten, dat zou ik doen.

Het was al ruim voorbij het normale tijdstip waarop ik gewoonlijk uit bed stapte dat ik dacht “Ik blijf gewoon liggen.”  Honger had ik nog steeds niet en ik moest ook niet gaan plassen.  Honger kan knagen maar houdt me nooit wakker, plassen daarentegen.  Als je de druk voelt toenemen is het onmogelijk om nog één minuut te slapen of zelfs maar op je gemak in bed te liggen.  Geen druk, stilte.  De rust en de stilte waren verbluffend.  Het overweldigde me.  “Ik sta niet op” dacht ik “tot er iemand me belt of nodig heeft.”

Ik genoot verder van een hemelse ochtend.  De zon scheen dapper maar de gordijnen hielden het meeste licht buiten.  Er was blijkbaar niemand die me nodig had.  Geen telefoontjes van ongeruste familieleden of vrienden, daar was het te vroeg voor.  Geen telefoontjes van bezorgde collega’s of secretaresses.  Daar was het eigenlijk niet te vroeg voor.  Ik was niet de regelmaat zelf als het op werktijden aankwam maar als ik op een vergadering aanwezig moest zijn dan probeerde ik toch ook op tijd op het werk te veschijnen.  Het was woensdag.  Elke woensdag was er een vergadering met de andere projectleiders.  Die misten me blijkbaar niet.  Dat ze me niet misten verwonderde me niet helemaal.  Die mensen waren meestal zo hard bezig met naar hun eigen navel te staren dat ze geen idee hadden hoeveel navels, laat staan welke andere navels, er in de vergaderzaal aanwezig waren.

De middag kwam, de honger kwam ook, maar de zin om iets te doen was volledig afwezig.  Het was een wolkenloze dag.  “Ik zal maar eens opstaan”.  Waar die impuls vandaan kwam was me een raadsel.  Had ik genoeg van alle rust en stilte of was het weer zo een draak van morele verplichting die zijn kop kwam opsteken in het meer van Loch Ness waarin ik zo rustig vertoefde.  Ik zag het monster, de draak, of wat het ook mocht zijn.  Het was een schim, een hersenschim, maar ruimschoots voldoende om mijn peis en vree situatie abrupt te beëindigen.  Het beest was waarschijnlijk gewekt door de honger.  Ik kreeg zin in wat maagvulling, een sneetje brood, een kop koffie, ik kreeg zelfs zin in een krant.

Opstaan of niet, werken zou ik niet doen.  Dat stond wel vast.  Ik was eens benieuwd hoe lang het zou duren voor iemand mijn afwezigheid zou opmerken.  De rolluiken op het gelijkvloers waren naar beneden, de auto stond in de garage, ik had geen hond waarvoor ik buiten moest, de diepvries was tot aan de rand gevuld, … wat had een mens nodig buiten algehele anonimiteit en een goed boek?

De tijd verstreek, de hele dag was bijna voorbij en niemand was komen opdagen.  De bel van de voordeur was niet gegaan, de telefoon ook al niet, geen berichtjes op de GSM, … was dit allemaal een slechte droom of was het echt.

Ik twijfelde.  “Wat als niemand me nodig heeft?” vroeg ik me af.  “Wat als niemand me mist.”  Ik zou het testen.  Ik wilde absoluut weten of er iemand was zou willen weten of er me iets overkomen was.  “De eerste die me probeert te bereiken is de gelukkige” dacht ik “die tracteer ik op een etentje”.  Een positieve gedachte, het hield me even zoet.

Het boek was bijna uit, het werd schemerig.  Ik had terug honger.  Van dat geplande etentje leek ook niet veel in huis te komen.  “Als ik hier had liggen creperen had er geen haan naar gekraaid.”  De zin om te eten maakte plaats voor de ontgoocheling die zich meester van me maakte.  “Niemand heeft me nodig” dacht ik.

Een vriendin, die had ik, maar het was misgelopen.  Kinderen?  Sinds ik gescheiden was had ik ze nauwelijks nog gezien.  Collega’s … het was een wereld waar geen ruimte was voor persoonlijke contacten.  Competitie, machtsvertoon, … je kent het wel.  Vrienden … waar waren ze nu hij ze niet nodig had.  Ik had ze niet nodig, eigenlijk niet, maar ik had toch gehoopt dat ze mij zouden nodig hebben.  Misschien was het te vroeg om me zorgen te maken.  Toch knaagde de worm van ontgoocheling dapper voort in het groene appeltje van mijn zogezegde rust en maakte het steeds sneller meliger en rotter.

Het was bijna middernacht geworden.  Goede programma’s waren er nauwelijks te vinden op het kastje.  De computer had ik niet aangezet want anders had men vast wel gezien dat hij on-line was.  Stomme installatie.  Waarom had ik ook die chatbox software geinstalleerd om automatisch bij het opstarten te activeren.

Ik baalde trouwens van computers.  Ik had er genoeg van.  Elke dag met die eenogige zeerover werken was genoeg.  Zonder dat “geval” had ik vroeger nog af en toe rust gevonden, nu plingden de emails en korte berichtjes me om de oren.  Je moest altijd wel iets beantwoorden.  Was dat wel zo?  Ik was de hele dag niet op het werk geweest en niemand had blijkbaar gemerkt dat ik op geen enkel emailtje had gereageerd.

“Ik ben alleen”.  8 miljard zielen waar ik er een paar handen vol van ken en niemand die naar me toe komt.  “Ik ben onzichtbaar”.  Dat was de conclusie die in grote neonletters in mijn hoofd oplichtte.  Het was inderdaad zo.  Als je niet opviel, om welke reden dan ook, dan werd je al snel onzichtbaar.  Zelfs als je je haar bij wijze van spreken blauw zou verven, dan kon je hoogstens twee dagen op enige belangstelling rekenen.  Ze zouden waarschijnlijk ook nog “mooi kleurtje” zeggen.  Iedereen deed zijn best om niemand voor het hoofd te stoten.  Goede raad?  Goede raad bestond niet, complimenten waren alleen maar bedoelt om je te verleiden, je zou nooit maar dan ook nooit welgemeende kritiek krijgen.  Ik had het alvast niet meer meegemaakt sinds de tijd dat ik nog in mijn ouderlijke huis woonde en mijn moeder trachtte om een modelkind van me te maken.  Het was haar gedeeltelijk gelukt.  Ik voelde me nog steeds schuldig als ik eens een keertje geen propere sokken aandeed, laat staan met mijn ondergoed van de dag voordien terug in mijn broek sprong na het ontwaken.  En mijn tanden poetsen durfde ik ook wel eens over te slaan, maar dat gebeurde ook niet zo vaak.

Ik viel niet op.

Ik zat in de zetel zonder te bewegen.  Ik denk dat ik zelfs niet met mijn ogen knipperde.  Ik voelde me ongelukkig, alleen, eenzaam, en ongelukkig.  Ik had kunnen huilen.  Dat had ik moeten doen maar ik durfde het niet meer.  Ze hadden me afgeleerd om te huilen.  Ooit had ik het gedaan in bijzijn van zijn vriendin maar het beviel haar niet.  En mijn moeder was het ook nooit bevallen.  Huilen deed ik alleen nog maar als ik alleen was.  En nu was ik alleen en kon ik niet.

Niemand had me nodig.

Het was een droevige vaststelling.  De dag was mooi begonnen met al die rust en stilte en dat zweverige gevoel.  Het was prachtig geweest.  De volle maan, de stralende zon, het hele ijle gedoe van doezelen in de warme cocon van een zacht bed.

Nu lag ik op een spijkerbed vol geselende spijkers.  Elke spijker een vraag en ik was verdomme geen fakir.  Groot was de kans dat ik wie nu zou aanbellen zou overladen met gescheld en gezeik.  Het kon beter maar niet gebeuren.

Zo kwaad was ik dat ik dacht dat het misschien maar beter was dat ik alleen bleef.  De tegenstrijdigheid van mijn gevoelens was me duidelijk.  Ik was kwaad omdat ik alleen was maar ik wilde alleen zijn omdat ik kwaad was.  Een andere tegenstrijdigheid was dat ik die ochtend nog zo gelukkig was geweest met die rust en die stilte en dat ik nu aan diezelfde rust en stilte ten onderging.

Het filosofische aspect boeide me.  De conclusies waren tot nu toe beangstigend.  Als ik iets wilde veranderen aan de feiten waar ik nu mee werd geconfronteerd zou het me veel moeite kosten.  Maar het moest.  Ik realiseerde me dat ik heel mijn leven bezig was geweest maar dat ik alang niet meer wist waarom ik bezig was.  Niet bezig zijn, weg van de drukdoenerij, was het enige wat ik nu nog echt wilde.  Het maakte toch geen enkel verschil.  Ik kon de bezigste bij ter wereld zijn, ik zou de dag daarna toch roemloos en onopgemerkt kunnen sterven.

Ik wilde niet onopgemerkt sterven.  Ik wilde niet in stilte sterven.  Ik dacht dat ik alles had om gelukkig te leven maar ik wist nu beter.  Ik had niets.  Als niemand zou opmerken dat ik er niet was, dat ik alleen zou sterven zonder dat er een haan naar kraaide, wat had ik dan bereikt?

Het leven had zeker zijn verassende momenten, confronterende momenten.  De confrontatie met de eenzaamheid was misschien één van de pijnlijkste uit mijn bestaan.

De ochtend van diezelfde dag was ik zielsgelukkig geweest.  Het enige wat ik nu nog wilde doen was slapen.  Ik wilde slapen, misschien wel eeuwig.

Een reactie achterlaten

Ontdek meer van #ThisIsMe

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder