Trots, eergevoel, perfectionisme, onafhankelijkheid, en nog een handvol eigenschappen sporen me dag-na-dag aan om mezelf te bewijzen. Ik wil zo graag sterk zijn, alsof ik permanent de controle heb over mijn toekomst, dat ik mezelf in de hand heb en niet kan falen.
Misschien is dat wel de grootste fout die een mens kan maken, denken dat hij of zij alles kan regelen, inschatten, bepalen; en dat er een scenario is om elk probleem aan te pakken mocht het zich voordoen. Alsof het leven een als-dan-anders algoritme volgt en alle paden doorheen de code van dit programma dat ‘leven’ heet altijd zullen leiden tot een uitkomst die voorspelbaar en beheersbaar is.
Alle wegen leiden naar Rome, nietwaar? En dat is de reden waarom er zo weinig wegwijzers staan die de weg aangeven die je moet volgen. Een doolhof met één ingang en één uitgang, zo zien we het graag. Je kan er maar op één manier in, en er is maar één uitgang. Zelfs al zou dat waar zijn; waar ik nu meer en meer van overtuigd ben; toch blijft het een uitdaging om niet te geloven dat er geen vastgelegd pad is, dat je het doolhof creëert door het te onderzoeken, dat het verandert naarmate je vooruitgang boekt, of naarmate je moet terugkeren op je passen. Je kan echter niet terug naar af; dus rol die dobbelstenen en tel hoeveel passen je mag nemen.
Heb je trouwens al gemerkt hoe interessant het is om te moeten omdraaien, dat je een bocht van 180 graden moet maken, en dingen ziet die je volledig ontgaan zijn op de heenweg? Misschien waren ze er ook helemaal niet.
Voor alle duidelijkheid, er is niets mis mee te verdwalen, het hoort bij een experiment. Wie er niet van houdt om te exploreren zal weinig waarschijnlijk een nieuw pad ontdekken. Aan de andere kant, een mens loopt soms wel eens verloren in de betrachting iets nieuws te ontdekken, iets uniek wat nog niemand anders, of althans een beperkt aantal mensen, heeft meegemaakt of gezien.
Dan staren we als blinde mollen naar het einde van onze zelf gegraven tunnel, in de hoop het licht te zien dat op het einde ervan op ons wacht, en vergeten dat we blind zijn, of wel erg verziend, niet in staat de mooie dingen die onder onze neus voorbijschuiven bewust te beleven.
365 woorden – tot nu toe wanneer ik aan het eerste kladje bezig ben– voor elke dag van het jaar een woord. Maar ik ben er nog niet klaar mee.
Waarom streef ik er zo intens naar om te bewijzen dat ik het allemaal wel door heb? Wat drijft mij om te streven naar erkenning, eer en glorie, een bekroning tot koning van een ministaatje dat ‘van mij’ heet?
Ja, ik heb hulp nodig, en zo hard als ik altijd heb gezocht naar manieren om anderen te helpen, zo heb ik minstens even intensief getracht te vermijden dat ik hulp van anderen nodig had. Het is een dilemma waarvan ik niet weet hoe het te ontwarren, een knoop die ik eindelijk eens moet doorhakken. Tenminste als en wanneer ik Excalibur uit de rots kan loswrikken. Maar ik ben geen koning Arthur – het wordt tijd dat ik besef dat ik ook maar een gewone sterveling ben.
Het is heel moeilijk om hulp te vragen, ik kan het weten, ik heb het dan ook nauwelijks of nooit gedaan. Als iedereen rondom je, bovendien met de beste van intenties, vraagt of ze iets kunnen doen voor je; of zeggen ‘Geef ons maar een seintje wanneer je hulp nodig hebt.’; dan is dat voor mij al voldoende om de uitdaging aan te gaan om te bewijzen dat ik zonder kan.
Hulp.
“Help me?”.
Waarom associeer ik het vragen naar een helpende hand met falen? Zie ik er soms uit als een hulpeloos wezentje? Dus ik doe het bijna nooit.
“Ja!” Ik kan je hulp gebruiken, maar ik zal er je niet om smeken. Floep, het is eruit, en het voelt geeneens slecht zoals ik vreesde. Nee, ik ben niet langer bang om toe te geven dat ik niet onafhankelijk ben, ik hang van jullie af. En ik mag trots zijn, trots dat ik de knoop heb doorgehakt, en dat ik hulp durf te vragen. Ik ben niet hulpeloos, dat komt nog wel en dat stemt me helemaal niet blij.
En toch wil ik positief zijn. Is een pasgeborene niet volledig afhankelijk van zijn of haar ouders? En het is niet omdat het kindje hulp nodig heeft bij alles wat het doet, of zelfs niet kan doen, dat we het meewarig gaan bejegenen? Nee toch.
Misschien moet ik leren toegeven dat ik het niet alleen kan. Dat ik mensen nodig heb die voor mij zorgen en die bekommerd zijn om mijn welzijn. Ik heb jullie hulp nodig. Het zal niet vanzelfsprekend zijn, het zal niet van een leien dakje lopen om het daadwerkelijk te doen; maar ik neem mij voor om het te laten gebeuren.
Het leven is kort genoeg om niet met alle geweld te proberen het naar mijn hand te zetten. Het is en blijft een illusie te geloven dat het voorspelbaar is en te controleren valt. Ik moet geen spijt hebben om datgene waar ik zo lang naar heb gestreefd, los te laten, en niet langer als een kruis te torsen op mijn calvarietocht. Ik wil herboren worden – maar niet door gekruisigd te sterven en te reïncarneren of te herrijzen – maar door mezelf te bevrijden van het juk waarmee ik gepoogd heb om de kar door het slijk van bestaan te trekken en te sleuren.
Ik zal lichter en gezwind nog even blijven wandelen. El camino de la vida.