Het Bos en De Bomen

Ik ben een schrijver, die pretentie heb ik, en ik wil schrijven, dat is mijn essentie. Desalniettemin (bovendien één van de mooiste woorden uit de Nederlandse taal – maar daar heb ik het al over gehad) is een schrijver niet gebaat bij eenrichtingsverkeer.  Er is geen schrijven zonder lezen, om het te vergelijken met een uitspraak als ‘Als een boom valt in het bos, en er is niemand om het te horen, maakt dat dan geluid?’ parafraseer ik ‘Als een schrijver iets neer schrijft, en er is niemand om het te lezen, heeft dat dan een betekenis?’

Ja, de eerste (en misschien ook de laatste) lezer van wat ik geschreven heb, dat ben ik zelf natuurlijk. Het mag een beetje eigenaardig klinken maar vaak weet ik pas wat ik geschreven heb wanneer ik het lees. Ik verdamp soms zoveel gedachten in mezelf dat ik geen benul heb van wat de condensatie op papier teweeg brengt. Betekenisvol is het dan nog steeds niet.

Spellingsfouten ten spijt, daar wil ik het niet over hebben, en grammaticaal wankele constructies, ach wat, dichterlijke vrijheden zijn een volwaardig excuus. Als het maar oproept wat ik er probeer in te stoppen. Een bekentenis is het niet, ook geen waarheid (God spaar me), maar het zijn wel gevoelens die iets zeggen over het menselijke wezen, over ons, ons allemaal.

Maar afgezien van of ik nu lezer ben of niet, ik ben toch steeds op zoek naar een stukje bevestiging. Beetje een trauma opgelopen zeker, dat twijfelen aan mezelf, heen en weer geslingerd tussen ‘ik kan het’ en ‘niet goed genoeg’. En als u me zou vertellen ‘je kan het niet’ dan is dat geen opsteker, dan ga ik alleen maar harder proberen om het toch te doen en te zijn.

Ik zou graag gelezen worden door hele horden mensen, maar eerlijk gezegd is een handvol ook al goed, als ze maar niet zeggen ‘je kan het’ puur om te plezieren.  Ach, ze hoeven zelfs niet te zeggen dat ik het kan, maar eerder dat ze iets boeiend vinden, of mooi, of waardevol. Als het maar heeft ‘gepakt’. Dat er iets van blijft kleven aan de binnenzijde van je hersenpan, of in je hart, of in je ziel, waar dat stukje waardevol bewustzijn zich ook mag bevinden.

En wat heb ik nu weer allemaal bij elkaar gepend?

Tegenwoordig schrijft iedereen en zo te zien vindt iedereen het leuk. Twitter, Facebook, Google+, bloggen hier en daar, Tumbler, WordPress, … er is dus aardig wat concurrentie en als is de ruimte beperkt in dezin van niet oneindig, het is toch een ruimte waarin je gemakkelijk verloren loopt. En maar hopen dat er iemand over je struikelt als een man met een krant in zijn hand die niet ziet dat er een vuilnisemmer hem de weg verspert, ach ja, vuilnisemmer. Internet kan inderdaad die indruk geven dat het een grote janboel is, troep, overschot. Maar hoe ontkom je aan het door-de-bomen-het-bos-niet-meer-zien.

Dan hak je een boom om in het bos en dan hoort niemand het. Je kapt de boom in stukken en maalt hem tot pulp, je laat de pulp lekker zwellen en stinken in het water tot de cellulose alles aan elkaar bindt, dan schep je het eruit en legt het te drogen, en eenmaal droog dan heb je iets waarop je kan schrijven, papier. Dan begint het pas, de boom heeft nog steeds geen geluid gemaakt.

Maar dan heb je het moment van “divine inspiration” en wonder boven wonder schrijf je iets dat weerklank krijgt, dat wordt gedeclameerd of voorgedragen, dat eindelijk resoneert, weergalmt, en ‘krak’ uit het stille schrijversei breekt.

Dus die boom maakt plotseling geluid. Met een omweg weliswaar.

Een schrijver wil gelezen worden, niet meer en niet minder, en dat lezen kan ook iets heel fysiek zijn zonder dat er een blad papier, een pen, of een schrijfmachine aan te pas komt. En toch een gedicht, … zo een schrijver wil ik ook af en toe zijn