
“een minuutje” zo zei de kat
het is alles wat zij nodig had
een kleine pauze, “een beetje rust
ogen toe, ze leek wel uitgeblust
even neergevleid, even de wereld kwijt
en van rusten had de kat nooit spijt
ze had genoeg van al dat jagen
meer dan wat zon zou ze niet vragen
pootjes gelikt, de honger gestild
de staart danste, het leek ongewild
geen kwaad van de kat, geen zin om te spelen
innerlijke rust zou haar nooit vervelen
de kat loensde, de wereld was vlak
en heet was het op het zinken dak
geen muis of rat zou haar kunnen storen
ze sloot haar ogen en tijd werd verloren
ze ligt te slapen, keurig opgerold
dicht bij de deur, als op de mat gestold
de trap lag uitgesleten, de zon nabij haar ondergang
nietsdoen, en ik weet niet eens hoe lang
het leven, hoe onvoorspelbaar ook of grillig
het laat hare majesteit totaal onverschillig
haar dromen zijn niet te verstoren
de wereld in haar heerschappij is verloren
heel langzaam beweegt haar staart
terwijl de rust de stilte zo goed als evenaart
terwijl de bladeren zich durven laten vallen
er niemand is om een leven te vergallen
misschien is dit het laatste, mischien nummer negen
maar niets zal haar ontwaken uit dit niet bewegen
ze is gelukkig in dit nietsdoen, er is niets dat
nog belang heeft voor deze opgerolde, spinnende, eigenwijze kat
(30-April-2003)